|
Er was eens een
kaboutertje..
Hij
leefde met zijn vrouw en twee kindjes in de stam
van een oude eik. Ze waren er gelukkig.
Op een dag kreeg het
kaboutertje een goed idee. Een uitvinding! Hij
moest het aan de koning gaan vertellen! Die zou
hem zeker vorstelijk belonen!
Natuurlijk had hij geld nodig om naar het paleis
van de koning te reizen. Het paleis was op ruim
veertien dagen gaans en elke dag zou hij moeten
eten en slapen in een herberg. Hij zei niets
tegen zijn vrouw en kinderen maar keek onder het
bed. Daar stond een oude schoenendoos, gevuld
met wel veertig gouden dukaten. Ze waren bestemd
voor de kinderen maar hij nam ze uit de doos en
stopte ze in z´n knapzak.
En zo vertrok
hij, met z' n knapzak, verblind door de glans
van bergen gouden dukaten die schitterden aan de
horizon.
|
|
Toen de avond
viel, zocht het kaboutertje een herberg
op. Aan de waard vertelde hij zijn verhaal: over
vier weken zou hij hier weer langs komen als een
rijk man. De waard, een slimme kerel, liet hem
in zijn mooiste bed slapen en maakte hem een
allerheerlijkst ontbijt. Toen de volgende dag de
zon weer aan de hemel gloorde, vlak na het
ontbijt, betaalde het kaboutertje aan de waard
drie gouden dukaten, bedankte hem, en
vervolgde zijn reis.
En ook deze
avond, na een lange dag wandelen, zocht ons
kaboutertje weer een herberg op. En net als de
avond daarvoor, vertelde hij ook hier dat hij
zeker weer zou komen, als rijk man. En ook hier
sliep hij in het mooiste bed en kreeg een
allerheerlijkst ontbijt.
Dit herhaalde
zich zo een aantal dagen, totdat... na twaalf
dagen, op twee dagen gaans slechts van het
paleis van de koning, ons kaboutertje huiswaarts
moest keren.
Zijn
knapzak was leeg...
|